Psalm 18
4 december 2025
Met heel mijn hart heb ik U lief, o HEERE;
mijn ziel zal U, mijn Sterkte, dankbaar eren.
De HEERE is mijn Rots, mijn Burcht, mijn Kracht,
mijn Redder van Wie ik mijn hulp verwacht.
Hij is mijn God, die mij steeds kan bewaren.
Mijn Rots, waar ik naartoe vlucht in gevaren.
Hij is mijn Schild, de Hoorn die mij bevrijdt,
mijn hoog Vertrek, mijn Heil, mijn Veiligheid!
De HEERE is het waard dat wij Hem prijzen,
ik riep tot Hem, Hij wilde hulp bewijzen,
Hij bracht mij uit mijn nood in veiligheid,
Hij heeft mij van mijn vijanden bevrijd.
Met banden van de dood was ik omgeven.
Een vloedstroom van ontaardheid deed mij beven.
De banden van de hel omringden mij,
de valstrik van de dood was heel dichtbij.
Toen ik zo bang was, riep ik tot de HEERE,
ik zocht mijn God, die zo hoog is te eren,
want Hij gaf mij uit Zijn paleis gehoor,
mijn roep tot Hem drong in Zijn oren door.
Toen schokte heel de aarde voor Zijn ogen.
De grondslag van de bergen werdbewogen.
Zo beefde en zo schudde heel het land,
omdat Zijn toorn zo hevig was ontbrand.
Een dikke rook steeg uit Zijn neus naar boven,
het vuur vanuit Zijn mond was niet te doven;
ja, kolen stak Hij aan met deze vlam.
Hij boog met kracht de hemel en Hij kwam!
Hij daalde neer, Zijn voeten op het duister,
Ook reed Hij op een cherub, zo vol luister.
Op vleugels van de wind vloog Hij voorbij,
Zo vlug, zo snel, zo haastig zweefde Hij.
Hij hield Zich in de duisternis verscholen,
in wolken was Zijn majesteit verholen,
het water in de hemel was Zijn tent.
Een gloed trok vóór Hem door het firmament,
die lichtglans heeft Zijn wolken voortgedreven,
met hagel en met kolenvuur omgeven.
Met donder trof de HEERE de natuur,
de Hoogste sprak met hagel en met vuur.
Met pijlen heeft Hij hen uiteengedreven.
Hij liet hen door Zijn bliksemschichtenbeven.
De diepste kolk heeft Hij geopenbaard,
de grondslag van de wereld werd ontwaard;
doordat U schold, werd dit gezien, o HEERE.
Uw neus blies wind, Uw straf was niet te keren.
Hij daalde neer en nam mij door Zijn kracht.
Vanuit een zee ben ik omhoog gebracht.
Hij hielp mij, want mijn haters waren krachtig,
mijn vijand was voor mij te sterk, te machtig.
Zij toonden op mijn onheilsdag hun macht,
maar ik vond steun, de HEERE was mijn Kracht.
Hij heeft mij naar een ruime plaats gedragen.
Hij hielp mij, want Hij had in mij behagen.
Mijn recht en trouw vergold de HEERE mij,
de reinheid van mijn hand beloonde Hij.
De HEERE liep ik na, in al Zijn paden,
ik week niet van mijn God door kwade daden.
Zijn richtsnoer had ik steeds voor ogen staan,
Zijn voorschrift wierp ik niet bij mij vandaan.
Ik ben door Hem oprecht en goed bevonden,
steeds was ik op mijn hoede voor mijn zonden.
Mijn recht en trouw vergold de HEERE mij,
de reinheid van mijn hand beloonde Hij.
De goede zult U met Uw gunst omgeven,
U bent oprecht voor wie oprecht zal leven.
U houdt Zich rein bij wie naar reinheid staat,
maar U bestrijdt wie slinks zijn wegen gaat;
want U verlost bedrukten van hun plagen,
het hoge oog vernedert U door slagen.
U, HEERE, geeft mijn lamp een helder licht.
Ja, Hij, mijn God, zorgt dat mijn duister zwicht.
Met U, mijn God, kan ik door benden dringen.
Ik kan met Hem zelfs over muren springen.
Gods weg is goed en wat de HEERE zegt
dat is volmaakt, doorlouterd, waar en echt.
Hij is een Schild voor wie zich tot Hem keren.
Want wie is God, behalve deze HEERE?
Wie is een Rots dan onze God alleen?
Ja, Hij is God en anders is er geen!
’t is God die mij met sterkte wil omgorden.
Hij liet mijn weg volmaakt en effen worden.
Snel als een hert laat Hij mijn voeten gaan.
Hij laat mij op mijn hoogten veilig staan.
Hij leert mijn hand; geen strijd kan zo mislukken.
Mijn arm breekt zelfs een stalen boog in stukken.
U gaf aan mij Uw schild dat mij bevrijdt,
Uw rechterhand was bij mij in de strijd.
Zachtmoedig bleef U mij met gunst omgeven,
dit maakte mij zeer groot en zeer verheven.
U gaf mijn tred een ruime, effen baan,
mijn enkel bleef daar zonder zwikken staan.
Volhardend bleef ik op mijn haters jagen,
ik hield niet op tot ik hen had verslagen.
Mijn spies doorstak hen, nooit herrijzen zij.
Ik trad op hen, zij vielen onder mij.
U gordde mij met sterkte om te strijden:
mijn vijand moest zijn nederlaag belijden.
U gaf zijn nek, U bracht hem in mijn macht.
Ja, ik heb al mijn haters omgebracht.
Geen redder kwam op hun geroep naar voren.
De HEERE zweeg, Hij wilde hen niet horen.
Toen heb ik hen als stof vergruisd, verjaagd,
mijn hand heeft hen als straatslijk weggevaagd.
U wilde mij van burgertwist bevrijden,
als hoofd mocht ik veel heidenvolken leiden.
Het vreemde volk boog neer en diende mij,
zodra zij van mij hoorden, knielden zij,
gehoorzaam aan hoe ik hen wil regeren.
Zij kwamen mij met veinzend hart vereren.
Zij zijn gezwicht, bezweken en vergaan,
zij komen bang uit hun kasteel vandaan.
De HEERE leeft, ik zal mijn Rotssteen prijzen,
mijn Redder zal ik lof en eer bewijzen.
Die God geeft mij om mij te wreken kracht.
De volken heeft Hij onder mij gebracht.
Hij wil mij van mijn vijanden bevrijden.
Ja, U verheft mij bij wie mij bestrijden.
U bent de God die mij in vrijheid stelt,
U redt mij van mijn vijand vol geweld.
Dus zal ik U, o HEERE, eer bewijzen,
ja, ik zal U bij heidenvolken prijzen.
Met psalmgezang loof ik Uw grote Naam,
voor U hef ik een dankbaar loflied aan.
Hij heeft zo vaak Zijn koning heil gegeven.
Zijn goedheid schenkt aan Zijn gezalfde leven.
Hij toont Zijn gunst, Zijn trouw, Zijn majesteit
aan David en zijn zaad in eeuwigheid.