Psalm 119 (I-VII)

I

Aleph
1. Welzalig wie oprecht van wegen is,
wie wandelt in de wetten van de HEERE,
wie acht blijft slaan op Zijn getuigenis,
wie zich door Zijn bevelen laat regeren.
Welzalig wie – vanuit een diep gemis –
met heel zijn hart Hem zoekt en Hem wil eren.

2. Welzalig wie geen onrecht doet of kwaad,
maar wandelt in Gods weg die leidt ten leven,
Welzalig is wie in Zijn paden gaat.
O HEERE, U hebt ons bevel gegeven
dat ieder mens Uw wetten gadeslaat
en acht neemt op wat U hebt voorgeschreven.

3. Och dat mijn weg gericht werd op Uw wet!
Ja, dat U mij zou leiden op mijn paden,
opdat ik doe wat U hebt ingezet.
Dan was er niets wat mij zou kunnen schaden,
want als ik trouw op al Uw wetten let,
dan word ik nooit met schaamte overladen.

4. Dan zingt mijn hart, oprecht en toegewijd,
dan loof ik U, als ik van U mocht leren
het heilzaam recht van Uw gerechtigheid.
Dan zal ik mij tot Uw bevelen keren.
Wat U bepaalt, bewaar ik dan met vlijt.
Wil mij toch niet geheel verlaten, HEERE.

Beth
5. Waarmee houdt toch de jeugd zijn paden recht?
Hoe blijft wie jong is, zuiver in zijn wegen?
Wanneer hij doen zal wat Uw woord hem zegt.
Mijn hele hart zoekt U en zoekt Uw zegen.
Laat mij aan Uw geboden zijn gehecht,
houd U mij Zelf, wanneer ik afdwaal, tegen.

6. Diep in mijn hart berg ik Uw woord en wet,
opdat ik in de zonden niet zal leven,
maar op Uw eer en op Uw glorie let.
U, HEERE, bent gezegend en verheven.
Leer mij toch Zelf wat U hebt ingezet
en leg mij uit wat U hebt voorgeschreven.

7. De rechten van Uw mond heb ik gemeld,
ik bleef Uw wet aan anderen verspreiden,
mijn stem heeft al Uw rechten doorverteld.
Ja, in Uw weg zal ik mij steeds verblijden.
Wat Uw getuigt, verheugt mij meer dan geld.
Geen rijkdom kan tot zoveel vreugde leiden!

8. Ik overdenk wat Uw beveelt en zegt.
Nauwkeurig zal ik op Uw paden letten.
Hoe ben ik aan Uw voorschriften gehecht!
Ik zal mijzelf verheugen in Uw wetten.
Uw woord wordt nooit vergeten door Uw knecht,
ik zal mijn hart op Uw geboden zetten.

Gimel
9. Bewijs Uw knecht weldadigheid en trouw,
dan leef ik, dan zal ik Uw woord bewaren,
omdat ik op Uw leer en kennis bouw.
Ontsluit mijn oog, laat mij Uw licht ervaren,
opdat ik al de wonderen aanschouw
die U ons in Uw wet wilt openbaren.

10. Ik ben een gast die op de aarde dwaalt.
Wil voor mijn oog Uw wetten niet bedekken,
maar geef dat Uw gebod steeds wordt herhaald.
Mijn ziel bezwijkt doordat Uw woord blijft trekken.
Ik wens altijd te doen wat U bepaalt,
Uw oordeel blijft mijn sterk verlangen wekken.

11. U weet bij wie vervloekte trots bestaat.
U dreigt hen, U bestraft wie ootmoed missen,
wie afgedwaald zijn van Uw wet en raad,
zij gaan een weg waarin zij zich vergissen.
Neem van mij weg verachting, spot en smaad,
want ik sla acht op Uw getuigenissen.

12. Al spraken zelfs de vorsten tegen mij,
al wilden zij mij door hun aanklacht krenken,
toch schoof Uw knecht Uw wet toen niet opzij,
ik bleef steeds aan Uw inzettingen denken.
Wat U getuigt, maakt mij verheugd en blij,
het kan mij raad en licht en wijsheid schenken.

II

Daleth
13. Mijn ziel kleeft aan het stof en buigt zich neer.
Herstel mij, laat mij naar Uw woord weer leven!
Ik meldde U mijn wegen telkens weer
en U hebt mij verhoring willen geven.
Geef toch dat ik Uw inzettingen leer,
maak mij bekend wat U hebt voorgeschreven.

14. Geef mij verstand in wat U mij gebiedt,
geef dat ik Uw bevelen op mag merken;
dan ga ik in Uw weg en anders niet,
dan overdenk ik al Uw wonderwerken.
Mijn ziel smelt weg, van moeite en verdriet.
Wil naar Uw woord mij oprichten en sterken.

15. Houd mij toch bij de valse weg vandaan.
Wil mij Uw wet door Uw genade geven,
want ik wil graag de weg van waarheid gaan,
die kies ik uit, in die weg wil ik leven.
Uw rechten heb ik steeds voor ogen staan,
zij staan in mijn gedachten opgeschreven.

16. Mijn ziel kleeft vast aan wat Uw mond vermeldt.
Beschaam mij niet; op U blijf ik steeds hopen,
o HEERE, laat mij doen wat U vertelt.
Ik zal de weg van Uw geboden lopen,
want U verruimt mijn hart dat was bekneld,
U zet het Zelf door Uw genade open.

He
17. Leg, HEERE, uit wat U hebt ingezet,
wil door Uw leer mij Zelf die weg verklaren;
dan leef ik tot het einde onbesmet,
dan volg ik trouw die weg in al mijn jaren.
Geef mij verstand, dan leef ik naar Uw wet,
dan zal ik die met heel mijn hart bewaren.

18. Laat mij het pad van Uw geboden gaan,
dat is mijn lust, mijn vreugde al mijn dagen.
Richt U mijn hart, wijs mij Uw wetten aan.
Laat mij naar Uw getuigenissen vragen.
Houd steeds mijn hart bij winstbejag vandaan,
geef dat het nooit de hebzucht na zal jagen.

19. Wat is er veel dat ijdel is en slecht!
Wend U daarvan mijn oog af door Uw zegen,
geef dat ik mij aan niets onnuttigs hecht.
Herstel mij, maak mij levend door Uw wegen.
Bevestig Uw belofte aan Uw knecht,
die U steeds vreest en U is toegenegen.

20. Neem weg de smaad die mij zo vrezen doet,
want het is wijs wat U hebt voorgeschreven,
Uw rechten zijn altijd volmaakt en goed.
Zie, ik wil graag naar Uw bevelen leven.
Geef mij door Uw gerechtigheid weer moed
en wil mijn ziel daardoor weer leven geven.

Vau
21. Stort over mij Uw goedertierenheid,
zend mij Uw heil, naar Uw belofte, HEERE.
Dan antwoord ik wie mij zo fel bestrijdt,
dan kan ik op hun laster reageren,
want op Uw woord stel ik mijn hoop altijd, 
daarheen zal ik mij vol vertrouwen keren.

22. Sta – als ik spreek – mij met Uw goedheid bij,
geef dat mijn mond de waarheid zal vertellen,
neem die toch niet volledig weg van mij!
Ik zal mijn hoop steeds op Uw rechten stellen.
Ik houd Uw wet en schuif die nooit opzij,
voor eeuwig blijft Uw wet mij vergezellen.

23. Ik wandel kalm, U geeft mijn voet ruim baan,
omdat ik mij aan Uw bevelen wijdde,
in Uw gebod zocht ik mijn weg te gaan.
Ik zal Uw Naam voor koningen belijden,
ik zeg hen Uw getuigenissen aan,
ik schaam mij niet, maar zal Uw wet verbreiden.

24. Mijn hart verheugt zich in wat U gebiedt,
De liefde voor Uw wet blijft mij bezetten.
Hoe glanst mijn oog als het Uw richtsnoer ziet.
Vol vuur hef ik mijn handen naar Uw wetten,
die heb ik lief, Uw woord vergeet ik niet.
Steeds blijf ik op Uw inzettingen letten.

III

Zain
25. Gedenk wat U beloofde aan Uw knecht,
waardoor U mij verwachting hebt gegeven.
U hebt in mij een vaste hoop gelegd.
In al mijn leed is dit mijn troost gebleven,
want ik verwacht wat U hebt toegezegd;
zo schonk U mij door Uw belofte leven.

26. Het trotse volk bespotte mij met kracht,
toch ben ik van Uw wet niet afgeweken.
Steeds heb ik aan Uw oordelen gedacht,
die zijn door al de eeuwen heen gebleken.
Zo vindt mijn hart, o HEERE, in Uw macht
een diepe troost omdat U recht zult spreken.

27. Een wilde storm van onrust greep mij aan,
vanwege hen die trots Uw wet verdringen,
die goddeloos Uw woord en wil weerstaan.
Ik bleef van al Uw inzettingen zingen,
zelfs toen ik als een gast mijn weg moest gaan.
Steeds bleef Uw wet mij als een lied omringen.

28. ’s Nachts dacht ik aan Uw Naam en aan Uw macht,
stil overdacht ik Wie U bent, o HEERE,
ik heb Uw wet bewaard met al mijn kracht.
Dit kon, omdat ik mij tot U bleef keren,
omdat ik Uw bevelen overdacht
en die ook deed, om U daarmee te eren.

Cheth
29. De HEERE is mijn Erfdeel en mijn Lot.
Ik sprak dat ik Uw woorden zal bewaren
en dat ik acht zal slaan op Uw gebod.
Ik kon aan U mijn hele hart verklaren,
ik zocht met ernst Uw aangezicht, o God.
Vervul Uw eed, laat mij Uw gunst ervaren.

30. Ik heb heel stipt mijn wegen bestudeerd
en heb mijn voet weer vaste koers gegeven:
de weg die Uw getuigenis mij leert.
Ik maakte haast om naar Uw wet te leven.
Ik draalde niet, ik ben teruggekeerd,
met spoed bleef ik naar Uw geboden streven.

31. Wie goddeloos is, heeft mij sluw bespied,
zij bleven mij met man en macht beroven,
maar toch vergat ik Uw geboden niet.
’s Nachts stijgt voor U mijn lofzang op naar boven,
dan sta ik op, om met een dankbaar lied
Uw rechten, die rechtvaardig zijn, te loven.

32. Ik ben een vriend, ik ben een metgezel
van allen die U vrezen en vereren,
van iedereen die leeft naar Uw bevel.
Uw goedheid vult de hele aarde, HEERE!
Geef dat ik steeds Uw wet voor ogen stel,
wil Zelf aan mij Uw inzettingen leren.

Teth
33. Wat hebt U goed gehandeld met Uw knecht!
U, HEERE, kwam mij met Uw gunst verblijden,
zoals U hebt beloofd en toegezegd.
Geef inzicht, leer mij goed te onderscheiden.
Aan Uw gebod heb ik geloof gehecht,
wil daarom door Uw onderwijs mij leiden.

34. Voordat ik in verdrukking werd gebracht,
heb ik gedwaald, ik koos verkeerde paden;
maar nu neem ik Uw woord en wet in acht.
Hoe goed bent U, wat doet U goede daden!
Geef daarom dat ik hulp van U verwacht,
leer mij Uw wet, leid mij door Uw genade.

35. Het trotse volk heeft mij met smaad besmet,
zij bleven mij met leugens fel bestrijden,
maar ik hield met mijn hele hart Uw wet,
ik blijf mij trouw aan Uw bevelen wijden.
Hun hart is zo gevoelloos als het vet,
maar zelf blijf ik mij in Uw wet mij verblijden.

36. Wat is het goed dat ik verdrukking vond,
opdat ik zo Uw inzetting zou leren.
Hoe heerlijk zijn de wetten van Uw mond!
Ik kan geen goud of zilver zo waarderen
als Uw gebod, dat geeft mij vaste grond,
Niets beters dan Uw wet kan ik begeren.

IV

Zain
25. Gedenk wat U beloofde aan Uw knecht,
waardoor U mij verwachting hebt gegeven.
U hebt in mij een vaste hoop gelegd.
In al mijn leed is dit mijn troost gebleven,
want ik verwacht wat U hebt toegezegd;
zo schonk U mij door Uw belofte leven.

26. Het trotse volk bespotte mij met kracht,
toch ben ik van Uw wet niet afgeweken.
Steeds heb ik aan Uw oordelen gedacht,
die zijn door al de eeuwen heen gebleken.
Zo vindt mijn hart, o HEERE, in Uw macht
een diepe troost, omdat U recht zult spreken.

27. Een wilde storm van onrust greep mij aan,
vanwege hen die trots Uw wet verdringen,
die goddeloos Uw woord en wil weerstaan.
Ik bleef van al Uw inzettingen zingen,
zelfs toen ik als een gast mijn weg moest gaan.
Steeds bleef Uw wet mij als een lied omringen.

28. ’s Nachts dacht ik aan Uw Naam en aan Uw macht,
stil overdacht ik Wie U bent, o HEERE,
ik heb Uw wet bewaard met al mijn kracht.
Dit kon, omdat ik mij tot U bleef keren,
omdat ik Uw bevelen overdacht
en die ook deed, om U daarmee te eren.

Cheth
29. De HEERE is mijn Erfdeel en mijn Lot.
Ik sprak dat ik Uw woorden zal bewaren
en dat ik acht zal slaan op Uw gebod.
Ik kon aan U mijn hele hart verklaren.
ik zocht met ernst Uw aangezicht, o God.
Vervul Uw eed, laat mij Uw gunst ervaren.

30. Ik heb heel stipt mijn wegen bestudeerd
en heb mijn voet weer vaste koers gegeven:
de weg die Uw getuigenis mij leert.
Ik maakte haast om naar Uw wet te leven.
Ik draalde niet, ik ben teruggekeerd,
met spoed bleef ik naar Uw geboden streven.

31. Wie goddeloos is, heeft mij sluw bespied,
zij bleven mij met man en macht beroven,
maar toch vergat ik Uw geboden niet.
’s Nachts stijgt voor U mijn lofzang op naar boven,
dan sta ik op, om met een dankbaar lied
Uw rechten, die rechtvaardig zijn, te loven.

32. Ik ben een vriend, ik ben een metgezel
van allen die U vrezen en vereren,
van iedereen die leeft naar Uw bevel.
Uw goedheid vult de hele aarde, HEERE!
Geef dat ik steeds Uw wet voor ogen stel,
wil Zelf aan mij Uw inzettingen leren.

Teth
33. Wat hebt U goed gehandeld met Uw knecht!
U, HEERE, kwam mij met Uw gunst verblijden,
zoals U hebt beloofd en toegezegd.
Geef inzicht, leer mij goed te onderscheiden.
Aan Uw gebod heb ik geloof gehecht,
wil daarom door Uw onderwijs mij leiden.

34. Voordat ik in verdrukking werd gebracht,
heb ik gedwaald, ik koos verkeerde paden;
maar nu neem ik Uw woord en wet in acht.
Hoe goed bent U, wat doet U goede daden!
Geef daarom dat ik hulp van U verwacht,
leer mij Uw wet, leid mij door Uw genade.

35. Het trotse volk heeft mij met smaad besmet,
zij bleven mij met leugens fel bestrijden,
maar ik hield met mijn hele hart Uw wet,
ik blijf mij trouw aan Uw bevelen wijden.
Hun hart is zo gevoelloos als het vet,
maar zelf blijf ik mij in Uw wet mij verblijden.

36. Wat is het goed dat ik verdrukking vond,
opdat ik zo Uw inzetting zou leren.
Hoe heerlijk zijn de wetten van Uw mond!
Ik kan geen goud of zilver zo waarderen
als Uw gebod, dat geeft mij vaste grond,
Niets beters dan Uw wet kan ik begeren.

V

Jod
37. Uw hand heeft mij gemaakt en mij bereid.
Geef mij verstand, want dan leer ik Uw wetten,
zodat ik mij aan Uw geboden wijd.
Elk die U vreest zal dankbaar op mij letten.
Als zij mij zien, dan wordt hun hart verblijd,
omdat ik op Uw woord mijn hoop bleef zetten.

38. Uw oordeel is volkomen juist en recht!
O HEERE, ik besef Uw wijze daden,
Uw trouw heeft mij verdrukking opgelegd.
Kom met Uw gunst, troost mij door Uw genade,
zoals U Zelf beloofd hebt aan Uw knecht.
Wil mij met troost en vrede overladen.

39. Sta mij met Uw barmhartigheden bij,
opdat ik leef en kracht ontvang, o HEERE;
want in Uw wet en woord verheug ik mij.
Maak hen beschaamd die mij zo trots onteren,
zij sloegen mij met leugentaal opzij;
maar ik blijf Uw geboden bestuderen.

40. Geef toch dat wie U vreest zich tot mij wendt.
Laat bij mij zijn wie op Uw woorden letten
en elk die Uw getuigenissen kent.
Laat heel mijn hart oprecht zijn in Uw wetten,
zodat ik nooit Uw inzettingen schendt,
dan zal geen schroom of schaamte mij bezetten.

Caph
41. Mijn ziel is van verlangen haast vergaan,
ik hunker naar Uw heil, wil mij bevrijden.
Ik heb mijn hoop op Uw belofte staan.
Mijn oog bezwijkt, hoe zwaar valt mij dit lijden.
Ik hunker naar de eed door U gedaan.
Wanneer zult U mij met Uw troost verblijden?

42. Ik ben als een verrookte zak van leer.
Toch blijf ik naar Uw inzettingen vragen,
want ik verlang te leven tot Uw eer.
Hoelang nog moet Uw knecht dit lijden dragen?
Nog steeds gaan mijn vervolgers fel te keer.
Wanneer zult U hen voor Uw rechtbank dagen?

43. Het trotse volk groef kuilen voor Uw knecht;
dit hebt U in Uw wet niet opgedragen.
Betrouwbaar is al wat U eist en zegt.
Met leugen blijft mijn vijand op mij jagen,
al wie mij haat, vervolgt mij onterecht.
Help mij, o God, in deze bange dagen.

44. Zij hebben mij al bijna omgebracht.
Ik ben vanaf de aarde haast verdreven,
maar ik heb Uw bevelen niet veracht.
Wil – naar Uw gunst – mij kracht en leven geven,
dan neem ik Uw getuigenis in acht,
dan doe ik wat Uw mond heeft voorgeschreven.

Lamed
45. De hemel draagt Uw woord in eeuwigheid,
daar staat het vast, zodat het niet kan wijken.
O HEERE, wat U zegt bestaat altijd.
U zult Uw trouw in elk geslacht doen blijken.
De aarde is gemaakt door Uw beleid,
vast blijft zij staan, U laat haar nooit bezwijken.

46. Nog heden blijft het universum staan.
De hemel en de aarde zijn Uw knechten,
Uw vast bevel wijst hen hun standplaats aan.
Als ik mij niet verheugd had in Uw rechten,
dan was ik in mijn nood allang vergaan,
dan had ik niets om mij aan vast te hechten.

47. Voor eeuwig denk ik aan Uw wet en leer,
nooit zal mijn ziel wat U beveelt vergeten,
want daardoor schonk U mij het leven weer.
Ik ben van U, ik mag de Uwe heten,
behoud mijn ziel, want ik zocht naar Uw eer,
ik wilde Uw bevel en wetten weten.

48. Het boze volk verlangde naar mijn dood.
Toch bleef wat Uw getuigt mijn aandacht trekken.
In alles wat volmaakt is, goed en groot
kon ik een eind, een slotakkoord ontdekken.
Maar onbegrensd is al wat U gebood,
zodat Uw wet zich ruimschoots uit blijft strekken.

VI

Mem
49. Hoe lief heb ik wat U hebt ingezet!
De hele dag zal ik dat overwegen.
Hoe wijs wordt wie op Uw geboden let.
Ik heb daardoor veel meer verstand gekregen
dan wie mij haat. Hoe lief heb ik Uw wet,
voor eeuwig blijft zij bij mij met haar zegen.

50. Mijn leraars streef ik in verstand voorbij,
omdat ik denk aan wat U wilt verklaren,
wat U getuigt maakt mijn gedachten blij.
Zelfs inzicht van de ouden, hoog op jaren,
valt in het niet bij al het licht van mij,
omdat ik Uw bevelen blijf bewaren.

51. Ik heb mijn voet van al het kwaad geweerd,
opdat ik naar Uw woord en wet zou leven.
Ik ben niet van Uw rechten afgekeerd.
Ik wens te doen wat U hebt voorgeschreven.
Ik houd Uw wet, want U hebt mij geleerd.
U hebt mij raad en onderwijs gegeven.

52. Uw woorden zijn zo heerlijk en zo zoet,
veel zoeter nog dan honing ooit kan smaken.
Wat Uw beveelt geeft raad in overvloed,
ik krijg daardoor verstand in alle zaken,
dus haat ik uit het diepst van mijn gemoed,
elk leugenpad, ik wil daar niet geraken!

Nun
53. Uw woord is als een lamp die mij geleidt,
het zal mijn voet beschijnen met zijn stralen,
zodat het op mijn paden licht verspreidt.
Ik zwoer een eed, die zal ik ook betalen:
ik houd elk recht van Uw gerechtigheid,
ik neem in acht al wat U wilt bepalen.

54. Hoe zwaar ben ik verdrukt, met wond op wond.
O HEERE, schenk mij naar Uw woord weer leven!
Aanvaard, o God, de gaven van mijn mond
die ik aan U vrijwillig heb gegeven.
Uw rechten zijn voor mij een vaste grond,
leer mij te doen wat U hebt voorgeschreven!

55. Voortdurend word ik in gevaar gebracht,
mijn ziel is in mijn hand door al mijn noden,
maar toch heb ik Uw wetten niet veracht.
Het boze volk zou mij graag willen doden,
met strikken zijn zij naar mijn ziel op jacht,
maar toch week ik niet af van U geboden.

56. Ik nam bezit van Uw getuigenis,
want heel mijn hart blijft zich daarin verblijden;
voor eeuwig is Uw wet mijn erfenis.
Ik neig mijn hart om mij aan U te wijden,
zo doe ik wat door U verordend is,
in eeuwigheid, ja, tot de laatste tijden.

Pe
57. Ik haat hen die halfhartig zijn en slecht,
maar aan Uw wet zal ik mijn hart verklaren,
die heb ik lief, daar ben ik aan gehecht.
U bent mijn Schild, mijn Schuilplaats in gevaren,
dus staat mijn hoop op wat U hebt gezegd.
Verwachtingsvol zal ik Uw woord bewaren.

58. Wijkt, bozen, wijkt, gaat ver bij mij vandaan!
Opdat ik doe wat mij is voorgeschreven,
ik dien mijn God, Zijn wegen wil ik gaan.
Help naar Uw woord, sterk mij, dan zal ik leven.
Laat mij niet in mijn hoop vol schaamte staan.
Wil, naar Uw eed, mij ondersteuning geven.

59. Geef mij U steun, want dan ben ik gered.
Dan zal mijn hart voortdurend zich verheugen
in alles wat door U is ingezet.
Met kracht verwerpt U allen die niet deugen,
die afgedwaald zijn van Uw woord en wet.
want hun bedrog is veinzerij en leugen.

60. Als schuim laat U de bozen eens vergaan,
zij worden van de aarde weggedreven,
dus hang ik Uw getuigenissen aan.
Mijn lichaam beeft, ontzag heeft mij omgeven,
ik vrees voor U, wie kan Uw straf doorstaan?
Uw oordeel laat mij huiveren en beven.

Meer weten over de psalmen? Kijk op deze pagina.

VII

Ajin
61. Gerechtigheid en recht heb ik verricht.
Geef mij niet prijs aan wie mij onderdrukken.
Geef aan Uw knecht wat tot zijn welzijn sticht.
Wees toch mijn Borg en laat het kwaad mislukken,
geef wie mij haat geen macht of overwicht,
opdat ik niet voor trotsen hoef te bukken.

62. Mijn oog bezwijkt, mijn krachten raak ik kwijt,
ik hunker naar Uw heil en Uw genade,
ik zoek de eed van Uw gerechtigheid.
Toon aan Uw knecht Uw zegenrijke daden,
doe naar Uw gunst, wees tot mijn hulp bereid,
leer mij Uw wet en leid mij in Uw paden.

63. Ik ben Uw knecht, o, geef verstand aan mij,
dan zal ik Uw getuigenissen leren,
dan ken ik die, dan blijven zij mij bij.
Nu is het tijd, het tijdstip voor de HEERE,
opdat Hij werkt. Uw wet verbraken zij.
Nu is het tijd dat U zult reageren.

64. Dus is Uw wet het woord waar ik van houd.
Mijn hart heeft Uw geboden lief gekregen,
veel meer dan goud, ja, dan het mooiste goud.
Dus zie ik elk bevel van U als zegen,
in alles heb ik die als recht beschouwd,
maar vurig haat ik alle valse wegen.

Pe
65. Hoe wondervol is Uw getuigenis!
Dus zal ik die met hart en ziel bewaren.
Uw open woord verbreekt de duisternis,
het zorgt voor licht, het zal Uw wil verklaren.
Het geeft begrip aan wie eenvoudig is,
Uw woord zal hun Uw wijsheid openbaren.

66. Ik hijg en heb mijn mond wijd openstaan,
want ik blijf sterk naar Uw geboden smachten.
Toon mij Uw gunst, zie mij genadig aan,
wend U tot mij, ontferm U door Uw krachten,
zoals U naar het recht steeds hebt gedaan
bij wie Uw Naam beminnen en  verwachten.

67. Geef in Uw woord mijn voetstap stevigheid,
zorg dat geen kwaad of onrecht mij zal leiden,
maar geef dat ik de zonden altijd mijd.
Wil mij van wie mij onderdrukt bevrijden,
zodat geen mens mij hindert of bestrijdt.
Dan zal ik mij aan Uw bevelen wijden.

68. Toon aan Uw knecht Uw licht; hoor mijn gebed.
Laat over mij Uw aangezicht toch stralen.
Leer mij te doen wat U hebt ingezet.
Een watervloed komt uit mijn ogen dalen,
omdat zij zich niet houden aan Uw wet,
maar ver van U en van Uw woorden dwalen.

Tsade
69. Uw eerlijkheid wordt rijk tentoongespreid.
U, HEERE, bent rechtvaardig en verheven,
U oordeelt recht, hoe juist is Uw beleid!
U hebt ons Uw getuigenis gegeven,
daarin gebiedt U ons gerechtigheid,
U hebt ons trouw en waarheid voorgeschreven.

70. Mijn ijver en mijn vuur doen mij vergaan,
omdat ik van mijn haters heb vernomen
dat zij Uw woord vergeten en weerstaan.
Uw woord is zeer gelouterd en volkomen,
vol vreugde denkt Uw knecht daar telkens aan,
het laat mijn hart van liefde overstromen.

71. Al ben ik klein, al word ik diep veracht,
toch ben ik niet vergeten U te eren,
ik heb aan Uw bevelen trouw gedacht.
Voor eeuwig zal Uw heilig recht regeren,
voorgoed blijft Uw gerechtigheid van kracht.
Uw wet is waar, zij kan ons waarheid leren.

72. Ik ben geraakt door angst, benauwdheid, pijn,
toch is Uw wet mijn vrolijkheid gebleven.
Voor mij is Uw gebod een heilsfontein.
U hebt ons Uw getuigenis gegeven,
het recht daarvan zal vast en eeuwig zijn.
Geef mij begrip, dan zal ik daardoor leven.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

achttien − vijf =

Terug naar boven