Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen,
en mijn ziel, die Gij verlost hebt.Psalm 71:23
Wat zijn psalmen?
In het Hebreeuws heet het boek Psalmen Tehilim. Dit betekent lofprijzingen. De naam Psalmen komt uit de Griekse vertaling. Deze naam wijst erop dat de liederen uit dit boek gezongen werden onder begeleiding van het psalterion, een snaarinstrument dat lijkt op een harp of luit. Deze liederen waren bestemd voor de godsdienstige aanbidding in het heiligdom. Ook Christus zelf zong psalmen toen Hij op aarde was.
Luther noemt de psalmen ‘een kleine Bijbel en een kort begrip van beide Testamenten’. In de psalmen komen onderwerpen uit heel de Bijbel aan bod: van de schepping tot het laatste oordeel, van bekering tot herstel, van Mozes tot Christus en van de Wet tot haar vervulling. Er zijn weinig onderwerpen die niet in de psalmen terug te vinden zijn.
Psalmen zijn de taal van het hart, omdat ze ontstaan zijn vanuit de ondervinding. In de psalmen spreken de heiligen tot God, soms vanuit diepten, soms vanuit hoogten. Er wordt getreurd om de zonden, gedorst naar God, gesmeekt om genade en gejubeld vanwege uitreddingen.
Hoe zijn de psalmen ontstaan?
Het boek Psalmen is een boek met meerdere auteurs. Vermoedelijk schreef Mozes de oudste psalm en werden de jongste psalmen pas geschreven na de terugkeer uit de ballingschap. Het boek Psalmen is dus niet een boek dat in één keer geschreven is, maar het groeide door de eeuwen heen aan tot wat het nu is. In de begintijd bestonden er zodoende verschillende bundels, met elk een eigen verzameling van psalmen.
David heeft ervoor gezorgd dat de psalmen een centrale plaats kregen in de eredienst. In de begintijd bestond er dus een bundel ‘van David’. Deze bundel werd groter door het toevoegen van de bundels ‘van Asaf’ en ‘van de Kinderen van Korach’. Later werden ook de psalmen die gedicht zijn na de ballingschap toegevoegd.
De huidige indeling is al erg oud en bestond al toen de Septuaginta werd gemaakt. In navolging van de indeling van de vijf boeken van Mozes, werd het boek verdeeld in vijf delen:
- Psalm 1-41
- Psalm 42-72
- Psalm 73-89
- Psalm 90-106
- Psalm 107-150
Waar deze indeling precies op gebaseerd is, is niet duidelijk. De psalmen staan in elk geval niet op chronologische volgorde. Ook opvallend is dat dezelfde inhoud in meerdere delen terugkomt, soms met enige variatie. Elk deel wordt duidelijk afgesloten door Amen en/of Halleluja. De meeste psalmen van David zijn in de eerste twee delen te vinden. De slotzin van het tweede deel luidt: ‘De gebeden van David, den zoon van Isaï, hebben een einde’. In deel vijf staan veel psalmen die speciaal gemaakt lijken te zijn voor de tempeldienst.
Wie schreven de psalmen?
Boven veel psalmen staat een opschrift. Ondanks dat die pas later zijn toegevoegd, geven deze opschriften wel behulpzame aanwijzingen wie de betreffende psalm geschreven heeft. Over het algemeen worden er 73 psalmen aan David toegeschreven. Daarnaast worden ook Mozes, Salomo, Heman, Asaf, Ethan en de Korachieten als psalmdichter vermeld. Vijftig psalmen blijven anoniem.
De Septuaginta noemt naast bovenstaande psalmdichters ook nog de namen van Jeremia en van Haggaï en Zacharia. Deze opschriften wijken af van de Hebreeuwse tekst.
Hoewel verschillende mensen een psalm schreven, zijn alle 150 psalmen geïnspireerd door dezelfde Heilige Geest. Hij is de werkelijke Auteur. Hij heeft in het bijzonder David licht gegeven om te profeteren van de Messias. Zo komt het dat in veel psalmen niet duidelijk is of David spreekt, of Christus. Ze spreken allebei.
Hebreeuwse poëzie
In de Hebreeuwse poëzie is er geen rijm van klanken, maar een rijm van gedachten en denkbeelden. Dit wordt ook wel parallellisme genoemd en is het belangrijkste kenmerk van Hebreeuwse poëzie. Bij parallellisme wordt de gedachte uit het eerste stuk van de regel in het tweede gedeelte herhaald met andere woorden.
Mijn zonde maakte ik U bekend,
en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet
Psalm 32:5
Het komt ook voor dat het tweede gedeelte geen herhaling bevat, maar juist een tegenstelling van het eerste gedeelte.
De goddeloze heeft veel smarten,
maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.
Psalm 32:10
Naast dit hoofdkenmerk, komen er ook nog andere kenmerken voor. Te denken valt aan metaforen, een terugkerend refrein en een alfabetische indeling.
Het zingen van de psalmen
Tot de Middeleeuwen
Veel psalmen dragen het opschrift ‘voor de opperzangmeester’. Dit maakt duidelijk dat de meeste psalmen bestemd waren voor de liturgie. De tekst van het gedicht werd aan de opperzangmeester gegeven om er muziek op te maken. Helaas zijn deze composities verloren gegaan en zijn de oorspronkelijke zangwijzen voor ons onbekend.
De Heere Jezus zong psalmen en ook in de eerste christengemeenten werden er psalmen gezongen. Ook in de tweede en derde eeuw zong het volk de psalmen, waarschijnlijk in het Grieks. Later werd het Latijn ingesteld als kerktaal en werd besloten dat het psalmgezang voornamelijk moest worden uitgevoerd door kerkelijke solo- en koorzangers en dus niet door het volk
Eeuwenlang kon het gewone volk geen psalmen zingen. Pas in de 12e en de 13e eeuw ontstonden er een aantal vertalingen in de volkstaal.
Reformatie
De echte omslag kwam in de tijd van de Reformatie. Luther en Calvijn hebben zich beiden ingezet voor het invoeren van gemeentezang. In 1562 verscheen in Genève de eerste volledige Franse psalmberijming. Die telde 47 berijmingen van Marot en 103 van Beza. De melodieën zijn afkomstig van de in Genève woonachtige Louis Bourgeois en Maître Pierre. In vrijwel alle gereformeerde kerken in Europa vormde deze berijming de grondslag voor het psalmboek in de eigen volkstaal.
Souterliedekens
In Nederland bestond op dat moment al een volledige psalmberijming in de eigen volkstaal, namelijk de in 1540 uitgegeven Souterliedekens. (Souter is via salter afgeleid van het Griekse woord psalter). Ze lijken meer reformatorisch dan rooms geweest te zijn, maar ze werden in roomse kringen niet afgewezen. De melodieën van de Souterliedekens waren afkomstig van populaire volksdeuntjes. Om die reden zijn de Souterliedekens nooit in de kerk gezongen.
Datheen
In 1566 verschenen er in Nederland twee volledige psalmberijmingen, grotendeels gebaseerd op de Franse berijming. De eerste was die van Jan Utenhove, de tweede was die van Petrus Datheen. De psalmberijming van Datheen heeft een duidelijke, eenvoudige structuur. Hij drukt dingen zo concreet mogelijk uit. Hij sprak de taal van het gewone volk. Bovendien is zijn berijming buitengewoon bezield. Zodoende werd hij al snel in veel kerken gezongen.
Datheen vertaalde de psalmen van Marot en Beza uit het Frans. Omdat er nog geen goede Nederlandse berijming bestond, was zijn werk een haastwerk. Dit is terug te zien in het gebrekkige ritme van veel psalmen. Kritiek op de psalmberijming van Datheen kon dan ook niet uitblijven. Velen hebben een poging gedaan om Datheens berijming te verbeteren, of om een geheel eigen berijming te maken. Pogingen om in de kerk een andere berijming in te voeren, mislukten. Het gewone volk bleef lang de voorkeur geven aan Datheen, vanwege de bezieling en de concrete taal.
Statenberijming
In 1773 werd de Statenberijming uitgegeven. Dit was een samenstelling uit drie verschillende psalmbundels: de verzameling van Hendrik Ghijsen, de psalmberijming van Johannes Eusebius Voet en de psalmberijming van het dichtgenootschap Laus Deo Salus Populo. Uit deze drie bundels koos een groep dominees de beste teksten uit, waar vervolgens nog vele en ingrijpende wijzigingen werden aangebracht. Veel kerken gingen over op deze berijming. Dat ging niet altijd zonder slag of stoot. Tot op de dag van vandaag hield een aantal kerken vast aan de berijming van Datheen.
Tegenwoordig
De behoudende reformatorische kerken zingen na al die eeuwen nog steeds uit de Statenberijming of de berijming van Datheen. Andere kerken zijn overgestapt op de berijming van 1967, die van de GKV, of DNP.
Sinds de tijd van de Reformatie zijn er vele tientallen psalmberijmingen uitgegeven en nog steeds houden mensen zich bezig met het berijmen van psalmen. Een toonaangevende berijming die eensgezind in alle kerken gezongen wordt, zal er waarschijnlijk nooit meer komen. Daarvoor lopen de theologische en literaire inzichten te ver uiteen.
Tot slot
Psalmen spreken de taal van het hart. Laat iedereen die psalmen zingt, dit daarom doen vanuit het hart, tot eer van God – in welke berijming er ook gezongen wordt!
Deze tekst is gebaseerd op (in alfabetische volgorde): Isaac da Costa – Bijbellezingen; L.W. Muns – Psalmen en Lofzangen; dr. J. Robertson – De poëzie en de godsdienst der Psalmen; A. Ros – Nederlandse Psalmberijmingen; Thomas Scott – Bijbelverklaring.