1. Looft, hallelujah, looft de HEERE.
Wilt met een nieuw gezang Hem eren.
Bezingt Zijn lof, daar waar de vromen
voortdurend samenkomen.
Looft Hem! Laat Israël altijd
in God zijn Maker zijn verblijd.
Laat Sions zonen, groot en klein,
blij in hun Koning zijn.
2. Dat zij Zijn Naam met reidans prijzen
en Hem met psalmen eer bewijzen,
dat zij met harp– en trommelklanken
de HEERE telkens danken,
omdat Hij grote vreugde vindt
in Zijn volk dat Hij zo bemint.
Hij, die de nederigen kroont
en hun Zijn heil betoont.
3. Dat vromen om die eer verblijd zijn
en zelfs op bed tot lof bereid zijn.
Hun keel zal vol zijn met gezangen,
want God moet eer ontvangen.
Hun hand houdt een tweesnijdend zwaard
dat aan de volken wraak verklaart,
dat naties oordeelt naar het recht.
Hun straf wordt aangezegd.
4. Om zo hun koningen te vinden
en hen met ketens vast te binden;
om vorsten – die zo heerlijk bloeien –
met ijzerwerk te boeien;
om recht te doen naar Gods beleid.
Dit strekt Zijn volk tot heerlijkheid.
Ja, hallelujah, zingt steeds weer
en geeft de HEERE eer!