1. Trots blijft u in uw onrecht roemen,
waarom, o sterke held?
Waarom blijft u het kwaad benoemen
en pronkt u met geweld?
Gods gunst is heel de dag nabij,
Hij zorgt altijd voor mij.
2. Uw scherpe tong denkt enkel schade
– een scheermes vol verraad,
want u bemint het meest het kwade,
het goede wordt gehaat.
U bent aan leugenpraat gehecht,
meer dan aan taal van recht.
3. U houdt van elk verslindend spreken,
Uw tong bedriegt en schendt.
God zal voor eeuwig u verbreken,
Hij rukt u uit de tent.
Hij trekt u uit het levensland,
ontworteld door Zijn hand.
4. Dit zien – vol vrees – al de oprechten,
zij lachen: zie de held
die zich aan God niet wilde hechten,
maar bouwde op zijn geld.
Zijn rijkdom had hem hoop gebracht,
in kwetsen vond hij kracht.
5. Maar ik zal in Gods huis verblijven,
waar ik in bloei zal staan,
zoals een vruchtboom vol olijven,
mijn kracht zal nooit vergaan.
Ik bouw op Gods barmhartigheid,
voor eeuwig en altijd.
6. O God, ik zal U eeuwig prijzen,
om wat U hebt gedaan.
Ik zal U lof en eer bewijzen.
Vast hoop ik op Uw Naam,
want hij is voor Uw gunstvolk goed.
Groot is het wat U doet!