Een groot gezantschap kwam uit Babel.
Trots liet ik al mijn schatten zien.
Nu hoor ik stil de straf van God aan.
Het is een straf die ik verdien.
Eens wordt mijn schathuis leeggestolen,
maar dat gebeurt pas na mijn dood.
God geeft – zo lang ik leef – nog vrede.
Zijn straf is goed. Zijn gunst is groot!
Naar Jesaja 39