1. O God, mijn God, mijn Toeverlaat,
U zoek ik vroeg met al mijn krachten,
mijn ziel blijft dorstend naar U smachten,
ik zoek U in de dageraad.
Mijn lichaam blijft naar U verlangen,
hier, in dit dorre, droge land
dat uitgeput is en verbrand
en lang geen water heeft ontvangen.
2. Ik zag U in Uw heiligdom,
ik mocht Uw kracht en eer bemerken,
o, wil mij toch opnieuw versterken,
breng mij bij U, daar bid ik om.
Uw gunst is beter dan het leven,
hoe goed is Uw barmhartigheid!
Mijn lippen zullen dan verblijd
U lof en dank en hulde geven.
3. Zo prijs ik U zolang ik leef,
ja, in Uw Naam – die ik zal loven –
hef ik mijn handen blij naar boven,
opdat ik U mijn hulde geef.
Mijn ziel zal overvloed ontvangen,
verzadigd als met lekkernij,
dan jubelen mijn lippen blij,
mijn mond prijst U met lofgezangen.
4. Als ik aan U denk op mijn bed,
Uw werk bepeins in lange nachten,
dan komt Uw hulp in mijn gedachten,
want U hebt mij zo vaak gered.
In Uw bescherming zal ik zingen.
Uw vleugels liggen om mij heen.
Mijn ziel kleeft vast aan U alleen.
Uw rechterhand blijft mij omringen.
5. Maar wie mijn ziel verwoesten wil,
zal komen in de diepste plekken,
de aarde zal hem overdekken,
daar zwijgen mijn vervolgers stil.
Geweld en onheil zal hen vinden,
zij worden door het zwaard geveld,
ook worden zij tot prooi gesteld,
de vossen zullen hen verslinden.
6. De koning is in God verblijd,
met vreugde zal hij Hem vereren
en ieder die bij Hem zal zweren,
prijst zich gelukkig voor altijd.
Daar wordt een dankbaar hart gevonden,
waaruit een vrolijk loflied komt,
want alle lastertaal verstomt,
eens zwijgen alle leugenmonden.