1.U, HEERE, maakt de koning blij:
Uw sterkte laat hem zingen,
Uw kracht blijft hem omringen.
Hoe vol van vreugde jubelt hij,
want U hebt hem bevrijd,
Uw heil heeft hem verblijd.
2. Hij heeft zijn hartenwens gehad,
U liet het hem ontvangen.
Zijn mond sprak zijn verlangen;
U wees niet af waar hij om bad!
Dat wat hij heeft begeerd,
werd niet door U geweerd.
3. Want voor hij U zijn wensen toont,
wilt U hem tegenkomen
met rijke zegenstromen.
U hebt zijn hoofd met goud gekroond.
Wie deze kroon aanschouwt,
ziet puur en zuiver goud.
4. U kent zijn wens, U hoort zijn stem.
Hij vroeg aan U om leven,
U hebt het hem gegeven.
Een zee van dagen schenkt U hem:
een lange levenstijd
die duurt in eeuwigheid.
5. Uw heil vergroot zijn roem en eer.
Uw redding heeft zijn leven
met heerlijkheid omgeven.
U maakt zijn luister meer en meer.
Een glans van majesteit
hebt U voor hem bereid.
6. Want U zult hem in eeuwigheid
tot rijke zegen stellen.
Hij zal Uw lof vertellen.
U maakt hem blij met vrolijkheid.
Uw stralend aangezicht
geeft vreugde, blijdschap, licht.
7. Want – wat er ook gebeuren zal –
de vorst blijft vol vertrouwen
vast op de HEERE bouwen.
De Allerhoogste weert zijn val.
Zijn goedheid staat hem bij:
nooit zwikt of wankelt hij.
8. Uw hand vindt wie U tegenstaat.
U zult Uw hand verheffen
en elke vijand treffen.
Uw rechterhand vindt wie U haat.
U slaat hen met Uw kracht,
zij worden omgebracht.
9. Wanneer Uw aangezicht verschijnt,
maakt U hen als een oven.
Uw vuur is niet te doven.
De HEERE zorgt dat elk verdwijnt,
wanneer Zijn toorn hen vindt,
die hen als vuur verslindt.
10. Hun vrucht wordt door U omgebracht,
U vaagt hen van de aarde
als mensen zonder waarde;
en uit het menselijk geslacht
verdelgt U al hun zaad.
Zo straft Uw hand hun kwaad.
11. Zij hebben immers kwaad bedacht
om U daarmee te schaden.
Zij smeedden slechte daden.
Veel groots werd van hun list verwacht,
maar U belet hun raad,
zij zijn tot niets in staat.
12. U plaatst hen immers voor Uw oog.
U zult Uw oordeel vellen
en hen tot doelwit stellen.
U spant de pezen van Uw boog.
Uw pijlen staan gericht
precies op hun gezicht.
13. Verhef U, HEERE, in Uw kracht;
laat elk Uw sterkte prijzen
en wil daarin verrijzen;
dan loven wij verheugd Uw macht,
dan zingen wij steeds weer
met psalmen tot Uw eer.