Wie leeft, wie leeft, die zal U loven,
die brengt U lof en dank en eer,
die slaat verheugd zijn oog naar boven,
die meldt Uw werken keer op keer!
O God, moet ik dan nu al sterven?
Ik heb op dit moment geen zoon.
Wie zal er dan mijn scepter erven?
Voor wie is dan de koningskroon?
Wie zal dit volk – Uw schapen – leiden?
De dagen zijn zo vol gevaar,
want Sanherib gaat door met strijden,
een nieuwe strijdmacht staat weer klaar.
Wie leeft, wie leeft, die zal U loven,
die brengt U lof en dank en eer,
die slaat verheugd zijn oog naar boven,
die meldt Uw werken keer op keer!
Ik voel mijn zwakke krachten wijken.
Ik schreeuw tot U in al mijn nood.
U hoort! U laat mij niet bezwijken,
U redt mijn leven van de dood!
Wie zal U in de grafkuil prijzen?
Een dode looft en roemt U niet.
Maar ik, ik zal U eer bewijzen,
ik leef en prijs U in mijn lied!
Wie leeft, wie leeft, die zal U loven,
die brengt U lof en dank en eer,
die slaat verheugd zijn oog naar boven,
die meldt Uw werken keer op keer!
O God, wat hebt U veel gegeven.
U hebt mij van de dood bevrijd!
U schonk gezondheid, kracht en leven.
Hoe groot is Uw goedgunstigheid!
U blijft mij met Uw trouw omringen.
U hebt mijn zonden weggedaan.
Van Uw bevrijding zal ik zingen,
voor U hef ik mijn lofzang aan.
Wie leeft, wie leeft, die zal U loven,
die brengt U lof en dank en eer,
die slaat verheugd zijn oog naar boven,
die meldt Uw werken keer op keer!
Naar Jesaja 38