1. O raad van rechters, mensenzonen,
beken: spreekt u ook waarlijk recht?
Is wat u oordeelt juist en echt?
Veeleer blijft u uw onrecht tonen,
uw hart is kwaad en met uw hand
weegt u geweld af in het land.
2. Al sinds de bozen zijn geboren
is hun vervreemding sterk en groot.
Zij dwalen sinds de moederschoot.
Steeds laten zij hun leugens horen.
Een vurig gif is in hun mond,
als van een slang die sluw verwondt.
3. Zij blijven op een adder lijken,
die houdt zich doof en sluit haar oor,
wie haar bezweert krijgt geen gehoor,
hoe hij zijn kunde ook laat blijken.
O God, o HEERE, zend U straf
en breek hun leeuwentanden af!
4. Laat hen vervloeien en bezwijken,
als smeltend water dat vergaat.
Houdt hij zijn pijlen sluw paraat –
geef dat zij afgebroken blijken.
Laat hen zoals een slak vergaan,
die wegsmelt en niet blijft bestaan.
5. Wil hen toch als een misdracht maken,
als een die nooit het zonlicht ziet.
Uw kookpot voelt de vuurgloed niet,
want voor de doornstruik die kan raken,
zal God hen levend doen vergaan,
in hete toorn zal Hij hen slaan.
6. De vrome zal zich zeer verblijden,
als hij de wraak ziet, jubelt hij.
Nu is zijn eigen leed voorbij,
nu moeten goddelozen lijden.
Verheugd ziet hij hun tegenspoed,
hij wast zijn voeten in hun bloed.
7. Dan zal elk mens verwonderd spreken:
‘De vrome wordt dus toch beloond!
Hij wordt met rijke vrucht bekroond.
Er is een God, dat is gebleken!
Ja, Hij doet op de aarde recht,
Hij is het die het pleit beslecht.’